Studentassessoren in het HBO

De afgelopen jaren is de roep om inspraak onder studenten in het hoger onderwijs toegenomen. Van protesten tegen instellingsbesturen en het leenstelsel tot bezettingen van onderwijsgebouwen, zijn de voorbeelden talrijk en niet altijd even smaakvol. Hoewel het hoger onderwijs vaak als een geheel wordt gezien, bestaan er naast overeenkomsten ook grote verschillen tussen studenteninspraak binnen hogescholen en universiteiten. In tegenstelling tot medezeggenschapsraden in het hoger onderwijs, die zeggenschap hebben over een eindproduct, spreken studentassessoren mee bij het ontwikkelen van beleid. Hierdoor kunnen studentenbelangen in de totstandkoming van beleid nadrukkelijker worden belicht.

Voor universiteiten zijn studentassessoren sinds de invoering van de Wet Versterking Bestuurskracht een wettelijke verplichting, voor hogescholen is het sindsdien een wettelijke optie. Van deze wettelijke optie wordt door hogescholen nog maar sporadisch gebruik gemaakt. Te vaak lijkt het alsof de inspraak van studenten in het hbo achterblijft omdat hun actiebereidheid minder zichtbaar is. Waar WOinActie is uitgegroeid tot een brede beweging, is een dergelijk platform in het hbo nooit van de grond gekomen. Daarnaast hebben bezettingen van onderwijsgebouwen aan de UVA en de RUG plaatsgevonden, maar zijn hbo studenten nooit tot dergelijke excessen overgegaan. Dit verschil in actiebereidheid vloeit voort uit een wetmatig verschil in binding, tussen hbo en wo studenten met hun kennisinstelling. Toch is de meerwaarde van grotere studenteninspraak binnen het hbo minstens zo groot als in het wo.

Het verschil in binding tussen student en hogeschool aan de ene kant en student en universiteit aan de andere kant wordt verklaard door het karakter van de opleidingen. In tegenstelling tot universitaire studenten brengen hbo studenten een groot gedeelte van hun opleiding buiten de collegebanken door. Praktijkervaring vormt een aanzienlijk deel van het hbo curriculum, waardoor studenten hun studie niet alleen associëren met hogescholen, maar minstens zoveel met stagebedrijven. Ondanks het gegeven dat de directe omgeving van de collegebanken een minder dominant onderdeel van de studie van een hbo student vormt, is het een misverstand dat daarmee het belang van invloed op beleid minder groot is. Waar hogescholen theoretisch onderwijs vervlechten of aanvullen met praktijkontwikkeling, blijven ze achter op het gebied van studenteninspraak. Terwijl het belang om beleid te maken met studenten, in plaats van voor studenten door deze tweede, praktische dimensie, misschien nog wel groter is. Die gewenste verandering kan worden gerealiseerd met studentassessoren.  

In een goede bestuurscultuur moet de onderwijsgemeenschap inspraak hebben op het beleid van een instelling. Niet alleen achteraf, wanneer gekeurd wordt of een voornemen goed genoeg is, maar ook in het proces dat daaraan voorafgaat, wanneer iets dat goed genoeg is verbeterd kan worden.

Enkele hogescholen hebben de afgelopen jaren een studentassessor toegevoegd aan het College van Bestuur. Voor de anderen is de tijd aangebroken om diezelfde stap te zetten. De angst voor meer studenteninspraak moet worden afgeworpen. Beleid moet voortaan niet meer worden opgelegd, maar worden overlegd.

Redactie Politiek van Morgen

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here