Waarom de peilingpauze van Maurice de Hond een zegen is

Foto: Maurice de Hond in 2017. Bron: Screenshot DWDD

Afgelopen zondag was een historische dag: Maurice de Hond publiceerde voor het eerst in jaren geen wekelijkse peiling, in verband met de coronacrisis. Politicologiestudent Abel van de Sluis duikt in dit artikel in de wereld van peilingen.

Als student politicologie aan de Universiteit Leiden ontkom je niet aan peilingen. In het eerste jaar komt het vak Statistiek al twee keer terug met onder meer Tom Louwerse, bekend van de Peilingwijzer, als docent. De voorwaarden voor betrouwbaar statistisch onderzoek worden duidelijk ingeprent. Voornamelijk de heer Louwerse benadrukt regelmatig – volkomen terecht – dat peilingen slechts in context iets kunnen zeggen over de politieke situatie in het land.

Auto’s en telefoons

Een vaak terugkomend historisch voorbeeld is dat van de Amerikaanse presidentsverkiezingen in 1936: het blad Literary Digest zet een peiling uit om te voorspellen wie de verkiezingen gaat winnen. Uit telefoonboeken en de registratie van autobezitters worden de adressen van 10 miljoen Amerikanen gehaald, waarvan 2,4 miljoen mensen daadwerkelijk meedoen aan het onderzoek. De peiling wijst uit dat de Republikein Alf Landon de verkiezingen zal gaan winnen, terwijl in werkelijkheid de Democraat Franklin D. Roosevelt won.

Dat deze voorspelling onjuist was, is te wijten aan het feit dat de onderzochte groep niet representatief was voor de gehele Amerikaanse bevolking. Mensen die wel een auto en telefoon hadden, waren vermogender dan mensen zonder auto en telefoon en rijkere mensen stemden vaak op de Republikeinse presidentskandidaat. Hierdoor zaten er in de peiling van Literary Digest te veel Republikeinse kiezers en deden de Republikeinse kiezers verhoudingsgewijs ook nog eens vaker mee aan het onderzoek. Hoewel de steekproef behoorlijk groot was, kwam de peiling dus niet overeen met de uitslag van de verkiezingen. De representativiteit van een steekproef is dus belangrijker dan de omvang.

Toeval?

Binnen steekproeven zijn er twee soorten fouten: toevallige fouten en structurele fouten. Als je een steekproef in heel Nederland heel vaak herhaalt, zit je soms iets hoger en soms iets lager dan de werkelijke waarde, maar gemiddeld zit je dicht in de buurt. Een iets hogere of lagere waarde in één steekproef is dan een toevalsfout. Om toch een betrouwbaar beeld te kunnen krijgen, is het belangrijk om een steekproef vaak uit te voeren zodat je ondanks de toevalsfouten een idee krijgt van de daadwerkelijke waarde.

Als je dezelfde steekproef heel vaak gaat herhalen, maar nu enkel in Amsterdam, is de kans aanwezig dat in alle steekproeven de waarde afwijkt van de steekproeven die door heel Nederland zijn gehouden. De telkens afwijkende waarden die je dan vindt, zijn structurele fouten. Je steekproef is dan niet representatief voor heel Nederland, omdat je de steekproef enkel in Amsterdam hebt gehouden. Soms kun je een niet-representatieve steekproef corrigeren door de mening van een groep die ondervertegenwoordigd is, zwaarder mee te laten tellen. Dit kan echter alleen als je weet wat de werkelijke waarde van de factor in heel Nederland is, bijvoorbeeld geslacht. Een voorbeeld van een structurele fout is als peilingbureau A jarenlang, dus structureel, partij X veel hoger inschat dan peilingbureau B. Dit verschil tussen peilingbureaus was voor Tom Louwerse reden om de Peilingwijzer te beginnen: hierin gebruikt hij vijf grote peilingen om tot een gewogen gemiddelde te komen van electorale steun voor politieke partijen, waarbij de foutmarge door het gebruiken van verschillende peilingen zo klein mogelijk wordt. 

Trends

Als partij X in de peiling één zetel verliest ten opzichte van de peiling van de week ervoor, zegt dit eigenlijk niets. Vanwege toevalsfouten kan een partij de ene week een zetel hoger of lager staan dan in de week ervoor, zonder dat er in die week een significante verandering heeft plaatsgevonden in de populariteit van partij X. Een enkele peiling is dus niet zo interessant, omdat toevalsfouten hierbij in de weg zitten. Één zetel verlies binnen een week is dus geen daadwerkelijk verlies; laat staan dat er een politieke oorzaak aan ten grondslag ligt.

Peilingen kunnen echter wel trends laten zien. Als een partij ten opzichte van de peiling van de week ervoor een zetel heeft verloren, zegt dat eigenlijk niets over de mening van de kiezer over desbetreffende partij. Maar als je de wekelijkse peilingen over een heel jaar beziet, is de partij gedurende het jaar steeds verder afgezakt in de peilingen, bijvoorbeeld van 20 naar 10 zetels. Dan geven peilingen wél nuttige informatie: de partij zit in een negatieve trend. Hiermee ben je niet alleen van het probleem rondom toevalsfouten af, maar ook van het probleem rondom structurele fouten. Als peilingbureau A namelijk partij X structureel hoger inschat dan peilingbureau B, maar beide peilingbureaus dezelfde negatieve trend voor partij X weergeven, zegt dit ondanks de structurele fout van een peilingbureau wel degelijk iets over de trend waar partij X zich in bevindt. 

Invloed van peilingen

Dat peilingen kampen met toevalsfouten en structurele fouten, betekent niet dat ze niet kloppen. Als een peiling representatief is, kan deze zeker een reëel beeld geven van de populariteit van politieke partijen. Peilingen kunnen echter ook de uitslag beïnvloeden. Tegenwoordig beslissen steeds meer kiezers pas op een heel laat moment, een deel zelfs op de verkiezingsdag zelf, op welke partij ze gaan stemmen. Peilingen kunnen hierbij de kiezer beïnvloeden: kiezers zijn eerder geneigd op een partij te stemmen die het goed doet in de peilingen, dan op een partij die het slecht doet in de peilingen. Dit heet in de politicologie het bandwagon-effect. Mensen horen van nature nou eenmaal liever bij de winnaars dan bij de verliezers. Peilingen zijn op deze manier in feite een soort self-fulfilling prophecy.

Niet alle onderzoekers zijn overtuigd van deze directe invloed van peilingen, maar als partij X het goed doet in de peilingen, zorgt dit voor positieve berichten in de media over partij X. Krantenkoppen waarin staat dat partij X aan de leiding gaat in de peilingen, kunnen op die manier wel positieve effecten meebrengen voor de partij. Maar als partij X het goed doet in de peilingen, wordt zij door de media als interessant gezien en zorgt dit voor extra aandacht. Hier kan partij X ook van profiteren. Andersom zullen partijen die het slecht doen in de peilingen door journalisten geconfronteerd worden met deze resultaten, wat voor negatieve berichtgeving omtrent deze verliezende partijen zorgt. Zo beïnvloeden peilingen via de media het stemgedrag van kiezers.

Ook kunnen peilingen ervoor zorgen dat kiezers strategisch stemmen. Een voorbeeld is de tweestrijd tussen de VVD en de PvdA in 2012. Deze partijen gingen aan kop in de peilingen en linkse kiezers stemden veelal op de PvdA om te voorkomen dat de VVD de grootste partij zou worden en ervoor te zorgen dat er een linkse premier zou komen. Andersom schaarden rechtse kiezers zich achter de VVD om te voorkomen dat de PvdA zou winnen. Peilingen kunnen dus ook via deze manier invloed hebben op de verkiezingsuitslag.

Nog even over die peilingrapporten

Al met al kunnen we vaststellen dat peilingen wel degelijk een interessant inkijkje kunnen bieden, maar daarbij moet je enkele zaken in gedachten houden. Een steekproef dient representatief te zijn en moet gevrijwaard zijn van structurele fouten. Verder kunnen peilingen, ook indirect via de media, van invloed zijn op de verkiezingsuitslag en helpen ze zo hun eigen voorspelling vormgeven. En tenslotte geven peilingen vooral op lange termijn een beeld van bepaalde trends, maar biedt een enkele weekpeiling op zichzelf staand bijna nooit nieuwe inzichten.

Daarom zou ik Politiek van Morgen van harte aanraden om te stoppen met hun peilingrapporten. Zoals in dit stuk is uitgelegd zijn winsten of verliezen van één of twee zetels nauwelijks verschuivingen te noemen, maar hangt dit samen met de toevalsfouten. Politieke oorzaken voor deze minieme veranderingen zijn er al helemaal niet. Daarnaast wordt voor het peilingrapport enkel de peiling van Maurice de Hond gebruikt, waardoor je structurele fouten in deze peiling niet kunt corrigeren. Tenslotte geven peilingen pas waardevolle informatie over een langere termijn, wanneer er trends te signaleren zijn. Een individuele weekpeiling zegt dus zeer weinig over de populariteit van politieke partijen. Als ik droom over de politiek van morgen, droom ik in ieder geval niet van wekelijkse peilingrapporten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here